Aangestoken in de zorgwinkel

Soms moet een mens eens een schop onder zijn gat krijgen. Wakker geschud worden. Efkens verschieten. Zoals ik nu om dan weer verder te kunnen schrijven met nieuwe verse inkt, maar vooral met een helder hoofd. Zo is dat. Ik kwam een mede blogger tegen in de zorgwinkel, symbolischer kan het niet. De moed zakte in mijn schoenen. Precies waren alle trucken van de foor op en kon ik gewoon zeggen: ‘Ach het komt er gewoon niet meer van. Ik ben al een tijdje bezig met mijn gewicht’. Beiden hadden we precies excuses die eigenlijk niet nodig waren. We wisten beiden dat alles op een laag pitje draaide. We gaven elkaar de hand bij het buitengaan en precies op dat moment kwamen mijn vingers wakker, begon het radertje met tekst terug te draaien. Ik ben er blij mee, een ontmoeting met niet veel lawaai. Maar toen in buiten uit de zorgwinkel kwam donderde het en bliksemende het in mijn hoofd. Ik ben weer aangestokenTijd om te bloggen.

Advertenties

Verbrand

Mijn gezicht is verbrand. Stom van me. Een dwarsligger zitten lezen in volle zon op een bankje, tegen de gevel van het binnenhof  op het Domein Alden Biesen. Verder lezen eigenlijk, want ik was al een tijdje verdiept in ‘Extreem luid en ongelooflijk dichtbij’ van Jonathan Safran Foer. Maar gisteren was tijd en uur onbestaande terwijl ik las. Er staan heel mooie zinnen te lezen, waarbij ik zo kan wegdromen en genieten van de mooie woorden. Mooie brieven zijn er ook. Heb altijd al graag brieven gelezen. Het verhaal gaat over een 9-jarig jongentje die zijn vader verliest bij de aanslagen op de Twin-Towers. Het fascineerde me gisteren. Toeval of niet, een boek lezen over het drama in New York. Mijn gezicht gloeide van zoveel zon op te nemen. Gloeiend van terreur en brand.

De eerste blog van het jaar.

Zo gaat het dus als ik tijd tekort hebt om alles te doen wat ik graag doe. Ik zou me eigenlijk moeten programmeren of toch minstens organiseren om tot een genoegdoening te komen en vrede te nemen met al mijn activiteiten. ‘Als ik ooit eens vijf minuten tijd hebt’ zong Louis Neefs. Zo voel ik me nu een beetje. De gedachte is er… de start is gekomen… ik ga terug bloggen. En zoals ik ooit eens schreef we zien wel wat er komt.

De laatste dag van ’t jaar.

Ik ken dat, de laatste dag van het jaar. Zo’n dag als een nulpunt waarop je onopgemerkt je tijd zit te verprutsen. Als het ware zit te wachten op volgend jaar. Het is zo een beetje als afzwaaien. Afscheid nemen van dit jaar maar niet echt uitgesproken. Beste lezer of bezoeker, ik wens je een mooie tijd toe en geniet ervan.

Niet één uitschuiver

De Ardennen deden deugd. ‘Sneeuw was er niet meer’ zei de verhuurder van ons huisje. Iedereen die me kent weet dat ik  een haat-liefde verhouding heb met sneeuw. De eerste sneeuw kan ik omhelzen, koesteren, ja zelfs mij poëtisch helemaal laten gaan. Het is feest bij elke vlok die naar beneden komt. De eerste sneeuw … en mijn geluk als gelukkigste mens ter wereld kan dan niet op. En in de Ardennen was de sneeuw op. Gelukkig maar. De gedachte alleen al aan een uitschuiver bij smeltende de sneeuw maakt me helemaal verward. Ik wil houvast evenveel in mijn hoofd als onder mijn zolen. En daar zit nu namelijk het verschil. De eerste sneeuw is het mooiste wat er is. De onzekerheid bij alles wat geen eerste sneeuw meer is maakt het allemaal zo ingewikkeld. De Ardennen waren dus heerlijk. Kilometers wandelen. Drie dagen na elkaar zonder maar een keer te moeten nadenken aan een uitschuiver. Dat is heerlijk, net als de gloeiende wangen en dat ene glaasje achteraf. 

In de wind gaan liggen

De titel klinkt nogal vreemd maar zondag lag ik onverwacht  met de wind te balanceren. Letterlijk. Een onzichtbaar ruggensteuntje om mij wiegend te vleien in een soort windrelax zorgde daarvoor. Het was heerlijk om in en met de wind te spelen? Nochtans heb ik het hier al eens anders zitten schrijven. Dat is een vreemde en aangename vaststelling. Ik schreef eerder: ‘Ze hebben het voorspeld, de weervoorspellers. Er komt storm, zo’n échte zuidwester… ze zitten er pal op. Het stormt. Het is mijn ding niet. Ik schuil en bedank voor dit soort van weertype. Vandaag zie je me niet, vandaag ben ik nergens te bespeuren. Die hevige windstoten ze dreunen tot diep in mijn lijf. Ik vind met moeite rust.’

Hoe ik zomaar kan veranderen van menig. Hoe ik dat zomaar aanvaardde alsof het een fluitje van een cent was. Geen last of angst. Gisteren was het stevig tot 110 km/u. Ik genoot daarvan. Als de wind maar goed zit stelde ik vast. Met mij is het net hetzelfde ik draai in de goede richting en dat is hoopvol.

Als God en klein pierke

Een champagneweekend in de buurt van Troyes in Frankrijk. Dat hebben we achter de rug. Genieten van de omgeving, van de rondleiding in de champagnekelders, van het landschap, van de mensen daar. Zonnen in een heerlijke relaxzetel met mijn boek (De gele ogen van de krokodillen van Katherine Pancol) in de hand. Ondertussen zijn er… de vier dames ‘vriendinnen‘ al heel de namiddag aan het zonnen. De vriendinnen zijn op weekend zonder man en zonder kinderen. De vier dames zijn in de voormiddag gaan shoppen dat er de stukken afvlogen, en of ze gelijk hadden. Na een halve bladzijde te hebben gelezen betichtte ik mij dat ik de dames aan het afluisteren was. Lezen met één oog op de pagina en met het andere oog pirouettes maken. Precies een verhaal dat afspeelde voor een boek dacht ik. ‘Sofie je kunt toch niet ontkennen dat je schoonpapa een mooie vent is hé’ zei één van de zonnebaadsters, ‘maar uw papa is toch ook een schone vent’ ‘hm ja’ hoorde ik. “Laat ons drinken op de mooie venten” zei de derde met de zonnehoed op haar gezicht. ‘Ja, ik vind dat een goed idee, op onze papa’s en schoonpapa’s. ‘Kom we gaan klinken en rechtstaand liefste dames, komen jullie maar uit je luie zetel’. De vierde dame lag wat te soezen, waarschijnlijk denkend aan haar man of kinderen of aan het bedrag dat ze deze morgen spendeerde bij het wilde shoppen of aan de combinatie van deze drie. Wie zal het zeggen? Ze nam haar glas en stond op. Ze toostten alle vier op de papa’s en schoonpapa’s. In gedachte toostte ik mee. PROOST!!! Ik dacht plots aan mijn boek waar er een passage in voorkomt hoe je personages zoekt voor een boek. Ik had er opeens vier. Ik kon direct beginnen schrijven er zat een heel verhaal in mijn hoofd. De eerste keer dat ik dit mee maak. Zo helder een verhaal voor een boek. De dames waren een godsgeschenk voor mij. Ik voelde me “Klein Pierke”, zonder maar één vraag te stellen en het hele verhaal in mijn hoofd. Even later riep mijn vrouw voor de vierde keer, het was tijd om ons op te frissen en propere kleren aan te trekken voor het aperitief bij het diner. ‘Ik kom eraan’ riep ik iets te luid terug. De vier vriendinnen keken naar me, waarschijnlijk dachten ze dat ik ook een toost zou uitbrengen op de schone papa’s.

Pashokje

Oefff. Het is weer voorbij. Gelukkig maar. Pashokjes, ik heb het niet met ze. Veel te klein en veel te warm. Op nog geen vierkante meter me ontkleden, aankleden, ontkleden en terug aankleden. Een mimespeler in volle voorstelling achter het gordijn, zo voel ik me. Een kanjer van een spot op mij gericht, ik zie niets van de zaal, denk ik dan. Nee deze past niet, een maatje groter graag. Een nieuw stuk passen. Hmm, nu te groot, niet hetzelfde model. ‘Probeer nog ‘ns die vorige’. Ja, het lukt me. Ik vermager zienderogen in zo’n hokje. ‘Wilt u dit model nog ‘ns proberen maar dan in een andere kleur?’ Nee dank je. Ik krijg al een kleurtje. Eén stuk is genoeg, één mimepartij ook. Applaus… en doek valt.

Aprilse grillen

De weerman had het voorspeld “aprilse grillen“. Vanmorgen werd ik dan ook getrakteerd op een stevige hagelbui met regen. Ik stelde me de vraag of de mensen ook aprilse grillen hebben. Het kwam zomaar bij mij op en kon niet direct bedenken dat dat zo bij de mensen bestaat. Hoe meer ik naar een voorbeeld zocht hoe minder ik er van overtuigd was dat de mensen dat hebben, die grillen in april. Tot ik in de vooravond een man voorbij zag passeren met zijn pet achterstevoren aan. Een gewone casual pet, geen cap dus. Ik twijfelde, zouden er dan toch aprilse grillen bestaan bij de mensen?